IKON Kerkdiensten

Door in de rechterkantlijn onderdelen wel of niet aan te vinken, zoekt de zoekmachine in de aangegeven onderdelen.
Sleutelwoord
Bijbeltekst
Kerkdiensten
Bijbelteksten
Preken
Liederen
Liturgische teksten

Oude testament: Exodus  03, 1-14

1 Mozes nu was gewoon de kudde van zijn schoonvader
Jetro, de priester van Midjan, te hoeden.
Eens, toen hij de kudde naar de overkant van de
woestijn geleid had, kwam hij bij de berg Gods,
Horeb.
2 Daar verscheen hem de Engel des Heren als een
vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek
toe, en zie, de braamstruik stond in brand, maar
werd niet verteerd.
3 Mozes nu dacht: Laat ik toch dat wondere verschijnsel
gaan bezien, waarom de braamstruik niet
verbrandt.
4 Toen de Here zag, dat hij het ging bezien, riep
God hem uit de braamstruik toe: Mozes, Mozes!
En hij antwoordde: Hier ben ik.
5 Daarop zeide Hij: Kom niet dichterbij: doe uw
schoenen van uw voeten, want de plaats, waarop
gij staat, is heilige grond.
6 Voorts zeide Hij: Ik ben de God van uw vader, de
God van Abraham, de God van Isaak en de God
van Jakob. Toen verborg Mozes zijn gelaat, want
hij vreesde God te aanschouwen.
7 En de Here zeide: Ik heb terdege gezien de ellende
van mijn volk, dat in Egypte is, en hun gejammer
over hun drijvers gehoord, ja, Ik ken hun smarten.
8 Daarom ben Ik nedergedaald om hen uit de macht
der Egyptenaren te redden en uit dit land te voeren
naar een goed en wijd land, een land vloeiende
van melk en honig, naar de woonplaats van de
Kanaanieten, Hethieten, Amorieten, Perizzieten,
Chiwwieten en Jebusieten.
9 En nu, zie, het gejammer der Israelieten is tot Mij
doorgedrongen; ook heb Ik gezien, hoezeer de
Egyptenaren hen verdrukken.
10 Nu dan, ga, Ik zend u tot Farao, om mijn volk, de
Israelieten, uit Egypte te leiden.
11 Maar Mozes zeide tot God: Wie ben ik, dat ik naar
Farao zou gaan en de Israelieten uit Egypte zou
leiden?
12 Toen zeide Hij: Ik ben immers met u! En dit zal u
het teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij
het volk uit Egypte hebt geleid, zult gij God dienen
op deze berg.
13 Daarop zeide Mozes tot God: Maar wanneer ik tot
de Israelieten kom en hun zeg: De God uwer vaderen
heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen:
hoe is zijn naam? wat moet ik hun dan antwoorden?
14 Toen zeide God tot Mozes: Ik ben, die Ik ben. En
Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israelieten zeggen:
Ik ben heeft mij tot u gezonden.

Deze bijbeltekst is gebruikt tijdens de kerkdienst(en):