Preek Huwelijk van Prins Friso en Mabel Wisse Smit Overdenking door ds. Carel ter Linde bij de inzegening van het huwelijk van Z.K.H. Prins Friso en mw. Mabel Wisse Smit op 24 april 2004 in de Oude Kerk in Delft
Stel u voor een terras op het Leidseplein in Amsterdam. Een mevrouw leest, onder een kopje koffie, het ochtendblad, zucht, wendt zich naar haar vriendin, en zegt: ‘Waar dat toch heen moet…’ Professor Van der Leeuw, theoloog, en een van onze eerste ministers na de oorlog, zat achter die twee en kon niet nalaten op die vraag met een tegenvraag te reageren: ‘Mevrouw, wie heeft u dat gezegd, dat het ergens heen moet?’ ‘Waarheen leidt de weg, die wij moeten gaan’, luidt de tekst van een overbekend lied. Waar hebben wij mensen dat toch vandaan, dat idee dat het ergens héén zou moeten met deze wereld? Dat wij in ons leven een wég zouden moeten gaan? Dat besef zit op de een of andere manier diep in ons, en met het antwoord dat wij op die vraag geven, staat of valt, lijkt het, heel de zin van ons bestaan. In zijn brief – voorafgaande aan onze gesprekken ter voorbereiding van deze dag schreven Friso en Mabel ieder hun gedachten op over hun gezamenlijke toekomst, en ik mocht daarvan vandaag gebruik maken – in zijn brief beschreef Friso dan ook niet toevallig het leven als een reís. Een vliegreis. Niet zo vreemd voor iemand die luchtvaarttechniek heeft gestudeerd en een vliegbrevet op zak heeft. Friso schreef: ‘In tijden van rust en voorspelbaarheid bevinden wij ons op een traject in volle vlucht. We denken te weten waar we naartoe gaan. Soms kom je wat turbulentie tegen, maar meestal is het niet nodig om veel na te denken over datgene waar je mee bezig bent. Het leven gaat voorspoedig. Je zit boven de wolken, alles ziet er goed, helder en zonnig uit. Op voorziene of onvoorziene momenten moet je een landing maken. Landingen zijn momenten die een grote wending kunnen geven aan het leven. Zoals wisselingen in opleiding of carričre, ongelukken of tegenslagen, of het overlijden van een geliefde of naaste. Dit zijn ook de momenten waarop je kunt nadenken over je volgende bestemming en over de passagiers of je co-piloot met wie je verder wilt.’ Wie haar kennen – ik onderbreek het citaat uit je brief even, Friso - wie haar kennen, die weten dat je een lieve en kundige co-piloot hebt gevonden. Na een aantal ontmoetingen ontdekten jullie geleidelijk aan - na enige ups en downs, zo gaat dat als twee mensen met een verschillende aard en achtergrond van elkaar gaan houden - hoezeer jullie aan elkaar gehecht raakten. Zoals Mabel het zo mooi in haar brief omschreef: ‘Ik wist dat wij niet langer zonder elkaar konden leven op de dag dat ik ontdekte dat ik niet gelukkig was als Friso niet gelukkig was.’ Er sloegen vonken over – ‘vlammen’, zegt het boekje Hooglied, dat kleinood uit de bijbel. Vlammen ‘des Héren’, zegt de dichter zelfs, want anders kan hij niet goed verklaren hoe dat komt, dat twee mensen van elkaar gaan houden en elkaar voor geen goud meer zouden willen missen. Vlammen des Heren, zegt hij, en – het koor zal er straks over zingen - ‘vele wateren zullen hen niet kunnen blussen, rivieren spoelen hen niet weg’. En er zíjn, door de loop der gebeurtenissen, vele wateren als een stortvloed over jullie heengegaan. Sommigen hebben jullie in datgene wat daartoe de aanleiding gaf, niet goed kunnen volgen en begrijpen. Anderen zeggen jullie daarin wél begrepen te hebben. Maar als één ding ons duidelijk is geworden, dan is het wel, dat jullie liefde hecht is, en dat zij bestand bleek tegen wat er over jullie heenkwam. Ja, zij is er eerder sterker door geworden. Mensen hebben jullie – en nu zeg ik het voorzichtig - daarbij niet altijd recht gedaan. Misschien was het ook niet gemakkelijk om jullie, bovendien beiden in het buitenland levend, echt te kennen. Dan gaan wij mensen gissen, en vaak ook ons ver-gissen, en daarom was het goed dat jullie de moed hadden om in een televisiegesprek ons meer inzicht te geven in jullie bedoelingen en in jullie leven en jullie verwachtingen daarvan. Ook was het ons duidelijk, Mabel, hoe warm en volkomen jouw schoonfamilie je in hun midden heeft opgenomen. Ik keer weer terug naar de brief van Friso. Jullie wilden beiden je huwelijk in de kerk beginnen, en ik vroeg je daarom, hoe je God zag. ‘God’, zei je, ‘vervult in het leven voor mij dezelfde rol als de navigatieapparatuur van het vliegtuig. Als piloot weet je niet precies hoe het werkt, maar dat is ook niet nodig, als je maar weet wat je ermee kunt doen…. Met hulp van deze apparatuur kun je verder vliegen, met meer zekerheid en minder zorg dan zonder. De belangrijkste eigenschap van deze apparatuur is dat je er altijd op kunt vertrouwen; je weet dat het de goede weg wijst. Als je even niet oplet en tijdelijk van het juiste pad bent geraakt weet je dat Hij er voor je is – je schrijft ‘Hij’ hier met een hoofdletter – dat Hij er voor je is om weer op het juiste pad te komen. Hij doet dit zonder te oordelen over hoe en waarom je tijdelijk van je pad bent geraakt. Als je in de wolken komt, in de mist, als je niet meer weet waar je bent of wat je moet doen, kun je er altijd op rekenen, dat Hij je zal helpen om uit de problemen te komen. Bij de tussenlandingen van het leven zorgt Hij ervoor dat je het vliegveld kan vinden, dat je goed neerkomt, en geeft Hij ook weer aan hoe te vertrekken op het volgende traject. Het huwelijk – zeg je dan – is voor mij zo’n landing. Mabel en ik hebben een interessante, turbulente, maar ook leuke aanvliegroute gehad. Ik ben er zeker van dat we goed aankomen, en ook weer goed zullen vertrekken. Dit is waarom ik het belangrijk vind dat we in de kerk trouwen en vragen om de zegen van God voor onze volgende trajecten, die we voortaan samen zullen vliegen.’
Er zíjn momenten in ons leven, die ons een tijd vleugellam kunnen maken, en nu denk ik aan wat zowel Friso als Mabel in hun leven aan ziekte en aan verdriet hebben meegemaakt. Niet alleen Friso’s vader wordt hier zo gemist, ook Mabel heeft, tot tweemaal toe, een vader verloren, en haar tweede vader heeft niet minder voor haar betekend dan haar eigenlijke vader. Maar tegelijk zit, zei Mabel, bij mij het vertrouwen in God zo diep, dat dit vertrouwen, dit geloof, het telkens toch weer wint van alle tegenslagen en teleurstellingen. ‘God’, zo zei je het in je brief, ‘God, het geloof en de waarden waar zij in mijn ogen voor staan, hebben een grote invloed op mijn zijn en mijn handelen. Sommige van mijn diepste gevoelens over goed en kwaad, moed, roeping, de redenen van het zijn, respect voor de medemens en het idee van naastenliefde, zijn sterk beďnvloed door het geloof.’ Je moeder, Mabel, vertelde dat je als kind de bijbelse verhalen al op de kleuterschool indronk en dat je vanaf omstreeks je tiende wist dat je zendeling wilde worden. En eigenlijk ben je dat ook geworden, al gaat het je nu er niet meer om om mensen in andere landen van de bijbel te vertellen, maar wel om, samen met anderen, volkeren in Oost-Europa, die zich van een dictatuur ontwikkelen naar een open en verantwoordelijke maatschappij, in dat proces met advies en de nodige gelden te ondersteunen. Om zo te werken aan het ontstaan van meer rechtvaardigheid en humaniteit in deze wereld. Want dat is toch – zo zei je het – wat het geloof in God van ons vraagt en waar het mede voor staat. Ik las dat aardige stuk in de krant over je optreden samen met andere oud-leerlingen op het lustrum van je oude school in Hilversum, waarbij je zó aanstekelijk over je werk vertelde, dat een van de leerlingen prompt besloot haar aanvankelijke keuze – geneeskunde - te wijzigen in politicologie, teneinde later zo mogelijk bij een mensenrechtenorganisatie te gaan werken. Ja, Mabel, je bent toch een beetje een zendeling geworden. Je hebt altijd, naar mijn gevoel, een beetje haast. Althans: tijd is kostbaar. Een kwartier op een bankje wachten op de tram besteedde je als Amsterdamse student geheid met een studieboek op de knie. Misschien is deze aard van je ook een beetje versterkt door het verlies van je vader, toen je negen was. ‘Toen werd ik' zei je, 'mij bewust dat het leven eindig is. Het leven’, zei je, ‘is een prachtige unieke gift met als enige onoverkoombare beperking de factor tijd; het is’ , zo zei je het, ‘niet alleen zonde als je niets met je leven doet, het is een zónde om niets met je leven te doen.’ Als een unieke gave, als – ik zeg het met enige schroom – een roeping ervaren jullie beiden het leven.
En nu ben ik bij dat verhaal dat wij daarstraks lazen, waarin Mozes door God geroepen wordt om zijn volk, de Israëlieten, weg te voeren uit het slavenbestaan in Egypte. ‘Ik heb gezien’, zegt God, ‘gezien heb ik de ellende van mijn volk dat in Egypte is, en hun gejammer over hun slavendrijvers gehoord. Daarom ben ik neergedaald om hen uit de macht der Egyptenaren te redden en hen te brengen naar een goed en wijd land…’ Maar Mozes durft niet goed op die stem te vertrouwen, en hij antwoordt: ‘Wat moet ik tegen mijn volk zeggen? Ze zullen mij vragen wie u bent, en of ze wel op u aankunnen. Ze zullen mij vragen: “Hoe is de naam van die God?” En wat moet ik hun dan zeggen?’ En dan zegt God: Ik zal er zijn, zoals ik er zijn zal. Zeg dat maar tegen je volk: Ik zal er zijn heeft mij naar jullie toegezonden. Dat is voor de gehele menselijke geschiedenis van een ongehoorde betekenis geweest, dat het volk Israël als eerste onder de volken dat geheim dat wij met het woordje ‘God’ aanduiden, de naam Ik zal er zijn heeft gegeven. Daarmee zeiden zij: we kunnen deze wereld en dit leven vertroúwen. Er is een dragende kracht – Israel zag deze dragende kracht geheel in de geest van die tijd als een persóón, een voorstelling die wij mensen moeilijk kunnen missen en die wij denk ik als beeld moeten vasthouden – er is een dragende kracht, op wie wij niet vergeefs een beroep doen, en die zich telkens opnieuw in de mensheidsgeschiedenis manifesteert. Zij is niet het privilege van het oude volk Israël, zij geldt alle volken. Het is een kracht waarvoor alle onrecht in de wereld, alle tirannie steeds opnieuw moet buigen; een stuwende kracht die mensen tenslotte naar elkaar doet omzien en met elkaar verzoent – zowaar als haar naam is: Ik zal er zijn… Een kracht, een God die niet werkeloos toeziet als mensen vernederd en vermalen worden, een God die mensen op weg roept naar een wereld van gerechtigheid en vrede die hij op het oog had, toen hij daarmee begon. Een God, die altijd opnieuw mensen mobiliseert om zijn woordvoerders en bondgenoten op aarde te zijn. Er werkt, boven ons allen uit, in Friso’s woorden, een hemels navigatiesysteem, dat wij mensen, willen wij met deze wereld tenminste ergens aankomen, geraden zijn om te volgen. Waarlijk, dat idee, waar wij daarstraks onze overdenking mee begonnen, dat het met deze wereld ergens héén moet, dat hebben wij mensen, of wij ons nu gelovig noemen of niet, van het oude volk Israel, ja van deze God, vandaan. Ik zal er zijn. Vier hebreeuwse letters zijn het. Ze staan afgebeeld hoog in een raam van deze kerk, het raam dat gewijd is gewijd aan prins Willem van Oranje, die, in 1533 in Dillenburg geboren werd. Op de 24ste april, op deze dag dus. De man die het verzet leidde van deze gewesten tegen de Spaanse overheersing en die strijd in laatste instantie alleen maar aandurfde omdat God ‘zijn schild ende betrouwen’ was.
Maar als die vier woorden het wezen van God vormen, dan heeft dat voor ons mensen grote gevolgen. Want wij kunnen bezwaarlijk geloven in een God die zegt er te zullen zijn, en dan tegelijk op het supreme moment, dat iemand een beroep op ons doet, het laten afweten, en er dan zélf niét zijn! Dat kan niet. Immers, wat moet God zonder de mens? Het is in de visie van het de bijbel niet alleen zo, dat de mens Gód nodig heeft, om te weten waar hij met dit leven heen moet, maar daar heeft God ook de méns nodig. De mens is immers – zegt het Aloude Testament –geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God? Beeld van God te zijn, dat is zijn roeping. En als men die oorsprong niet meer aan hem af kan zien, dan lijkt zijn leven nergens naar… En als u zien wil, zegt het Goede Boek, wie God is, let dan op die mensen uit de geschiedenis die hem als geen ander hebben belichaamd. Let dan op een Mozes, of op een profeet als Jesaja. En op Jezus van Nazareth, die deze God, zo lijkt het, als geen ander heeft verstaan en weerspiegeld. Wat hij zei, zeiden de mensen, dat waren woorden van Gód… Die man was sprekend God… In deze mens kwam God om zo te zeggen op aarde het mens-zijn voordoen. Alleen, hij kwam terug met doorboorde handen…
En wat er nu vandaag in deze kerk gebeurt is dit: daar verbinden zich twee mensen met deze God zoals wij die ten diepste in de man van Nazareth hebben leren kennen… Opdat hun leven, zoals het zijne, ergens naar lijken zal. Naar die liefde waarvan God het geheim heeft. Paulus heeft geprobeerd – wij hoorde die sublieme woorden daarstraks – om die liefde van God te schetsen. ‘Liefde is’, zegt hij – je kunt ook zeggen: ware liefde is - ‘ruimte geven, tijd laten; is goedheid, geduld. Telkens weer gelooft zij, alles verdraagt zij, altijd opnieuw vol hoop.’ U begrijpt wel, Paulus beschrijft hier niet wat hij dagelijks ziet, hij beschrijft wat hij níet dagelijks ziet. Hij beschrijft de liefde waarvan God het geheim heeft. Hij beschrijft eigenlijk God zelf. En daar heeft hij meerdere woorden voor nodig, en soms weet hij beter te zeggen wat zij niet is dan wat zij wel is: ‘De liefde wordt niet verbitterd, de liefde vindt niets onvergeeflijk. Wie liefheeft is niet belust op zichzelf…’
In deze geest willen deze beide mensen die wij vandaag met onze vriendschap en liefde omringen, hun leven samen trachten te leven. Zij nemen het op zich om, met die mooie woordspeling van Huub Oosterhuis, voor elkaar zo goed als God te zijn. Om er – in zíjn geest – voor elkaar te zijn. En dan kan Mabel op weg gaan met Friso, hun gezamenlijke toekomst in; dan durft zij het aan, omdat Friso haar met zoveel woorden zegt, wat God tegen Mozes zei, toen die hem vroeg naar zijn naam: ‘Vertrouw maar op mij, Mabel, ik zal er zijn.’ En datzelfde zegt Mabel tegen Friso, bij zijn keuze voor haar en bij al wat in hun leven op hun weg zal komen: ‘Vertrouw maar op mij, Friso, ik zal er zijn.’