IKON Kerkdiensten

Door in de rechterkantlijn onderdelen wel of niet aan te vinken, zoekt de zoekmachine in de aangegeven onderdelen.
Sleutelwoord
Bijbeltekst
Kerkdiensten
Bijbelteksten
Preken
Liederen
Liturgische teksten

Preek
Goede Vrijdag
Gedeelten uit 'Jezus', door Helmert Woudenberg
EERSTE ACTE

Jezus heeft tien leerlingen uitgekozen, gewone jongens uit het volk.
Spreekt een priester hem er op aan, zegt: “Als ik dat zo inschat, bent u weinig kieskeurig, wat betreft het uitkiezen van uw leerlingen. Hun maatschappelijke status en het niveau van hun bevattingsvermogen, ogen bedenkelijk.”

Zegt Jezus: “Voor God is de mens een kostbare parel; als die in de modder ligt, dan verminderd de waarde niet. Zoals de waarde niet vermeerderd als diezelfde parel met kostbare olie tot glanzend wordt opgepoetst.”

Zegt de priester: “Er is mij ter ore gekomen dat u een methode hebt ontwikkeld om het eeuwige leven te verwerven. Is dat juist?”

Antwoordt Jezus: “Dat is juist.”

Vraagt de priester: “Hoe verwerft men dat dan?”

Zegt Jezus: “Door God lief te hebben met heel je hart, en je hele ziel, en in alles wat je denkt, en met alles wat je doet. En de ander lief te hebben zoals God het jou heeft. Want God heeft jou onvoorwaardelijk, voor altijd lief. Dus eist ie dezelfde hartstocht die hij voor jou voelt honderd procent van je terug. En wordt ie groen van jaloezie als je aan een ander de voorkeur geeft boven Hem. Ontsteekt ie in razende woedende als je onverschillig voor ‘m wordt. En zal ie je ongenadig straffen als je ‘m afwijst, en ziek zijn van verdriet als je je wendt tot de duivel. God en jij zijn als twee geliefden die er slechts in elkaar de bevestiging van krijgen dat ze bestaan.”

Zegt de priester: “Als u spreekt vanuit eigen scherpzinnigheid dan zondigt u tegen het woord van God. Zoals u zondigt tegen de tien geboden. Er is mij ter ore gekomen dat u mensen hebt genezen? Op de sabbat?”

Nu heeft Jezus inderdaad dat eens gedaan. Een man lag al twintig jaar op een brits onder een afdakje te bedelen.
En Jezus komt daar langs op de sabbat, loopt op de man toe en zegt:
“Sta op, pak je brits op en loop er mee weg.”

En die man stáát op. En pákt z’n brits op en loopt er verbijsterd mee weg. Dat ze net getuigen zijn geweest van een wonder, gaat aan de mensen die er omheen staan, volledig voorbij. Ze zijn alleen maar verontwaardigd omdat het sabbat is.

Vraagt Jezus: “Maar mag je op de sabbat dan niet lopen?”

Zeggen ze: “Ja, maar niet met je brits rondsjouwen.”

Dus antwoordt Jezus de priester: “Als een klein kind op de sabbat in de put valt, laat je het er dan in liggen? En als een pasgeboren jongetje op de sabbat moet worden besneden, besnijden jullie het dan? En mogen jullie op die dag wel een pikkie verruïneren? En ik niet een heel lichaam weer gezond maken? Jullie priesters en schriftgeleerden, jullie gaan prat op je status. Jullie voelen je hoog verheven boven het gewone volk. Jullie hebben je afgescheiden, van met wie je één zou moeten zijn. Jullie gaan staan bidden op een plek waar iedereen goed kan zien dat jullie dat aan het doen zijn. En achter in het duister zakt een dronken bedelaar al biddend langs een pilaar ter aarde, en je dankt God dat je niet bent als hij. En je memoreert nog maar eens, dat je twee dagen in de week vast. En een tiende van je inkomsten opzij legt voor liefdadigheid. En dat je vandaag ook weer, een bladzijde van de heilige schrift uit je hoofd hebt geleerd. En nog vóór je amen hebt gezegd, snauw je: “Hou je kop ‘s!” naar achter, naar die arme dronkelap die daar op de grond luid “God, help me, help me!” aan het roepen is. En zíjn gebed wordt verhoord, en dat zelfgenoegzame geprevel van jullie vindt enkel bij de duivel een gewillig oor. Jullie hebben de sleutel, en jullie doen niet open. En als ik voorstel, laat míj dat dan doen, dan krijg ik van jullie die sleutel niet. Die hebben jullie duur laten vergulden, die bewaren jullie achter slot en grendel. En daar doen jullie heel plechtig en ingewikkeld over. Terwijl er niks plechtigs en ingewikkelds aan die sleutel is! Die sleutel is er, om mee open te doen. En als je daartoe in staat bent. Dan ben je het aan een ieder verplicht om daar zo snel mogelijk werk van te maken. Jullie zijn als een grote vette hond, die gaat slapen in de net gevulde voerbak van het vee. En hij táált niet meer naar eten. En hij slaapt, en hij beseft niet dat ie het een hele kudde uitgehongerde runderen belet om bij het voedsel te komen, waar hun leven van afhangt! Jullie zijn er voor de mensen! En de mensen zijn er niet voor jullie.”

TWEEDE ACTE

In het diepste geheim, nuttigen Jezus en zijn leerlingen het avondmaal in het huis van Simon de Waterdrager. Die dankt z’n bijnaam aan het feit dat ie vroeger drinkwater verkocht op de markt, en daar is ie zo rijk mee geworden, dat ie nu vijf mannen in dienst heeft die dat voor hem lopen te doen, en dat ie daarom dit huis heeft kunnen kopen dat gebouwd is op de plek waar vroeger het paleis van koning David heeft gestaan. Want niet alleen heeft God zich in Jezus verpersoonlijkt, hij is ook de stamhouder van het geslacht van David, die eertijds het koningschap heeft overgedragen op zijn zoon Salomo, en wiens halfbroer Natan hij hogepriester heeft gemaakt. En de vader van Jezus, stamt af van Salomo en zijn moeder van Natan. Beide lijnen hebben zich in hem herenigd, en hij kan zich beroemen op koninklijk en hogepriesterlijk bloed, waar er bij Herodes en Kajefas geen druppel van door hun aderen vloeit.

De volgelingen van Jezus zijn slaags geraakt in de tempel met tempelwachten en romeinse soldaten. Er is drie dagen gevochten en tenslotte heeft Jezus met zijn leerlingen moeten vluchten. Jezus is persona non grata geworden. De publieke opinie heeft zich tegen hem gekeerd en als de autoriteiten te weten komen waar z’n verblijfplaats is, dan komen ze hem arresteren.

Zegt tijdens het avondmaal Judas zijn leerling tegen Jezus: “Wat is er met je? Heeft God je verlaten? Ik heb God zich in jou zien manifesteren, ik heb je de bliksem zien oproepen en die in laten slaan. Ik heb je op het water zien lopen. Ik heb je een hevige storm tot bedaren zien brengen. Jij hebt me gezegd dat je een berg zou kunnen verplaatsen, en ik was er van overtuigd dat je dat kon! Maar nu? Is dat nu niet meer zo? Wij hebben drie dagen gevochten, zonder God aan onze zijde. Ik vroeg me voortdurend af: Waar is God in hemelsnaam? Waar is God? En ik wist dat zonder God de strijd bij voorbaat al was verloren. Als het nog steeds zo is, dat in jouw persoon, God hier en nu, lijfelijk aanwezig is, in jouw persoon de hemel hier op aarde openstaat, in jouw persoon de allerhoogste mens onder de mensen is geworden, dan ligt het in jouw macht om ons de overwinning te laten behalen. En als dat nog steeds zo is, waarom doe je dat dan niet! Waarom laat God het toe, dat wij door een vreemde mogendheid, door een koning die ook nog eens van buiten onze grenzen komt, en onze eigen corrupte priesterkliek, zo tot op het bot worden vernederd!”

Antwoordt Jezus: “Omdat God moegestreden is. Al dat bloedvergieten in de naam van de gerechtigheid is hij meer dan zat. We gaan het anders doen. Ik zal naar ze toe gaan, en ze wijzen op mijn rechten. Ik ben de koning, alleen de door mij aangestelde hogepriester mag aan het hoofd van de tempel staan. Ik wil niet dat mijn volk door een ander volk wordt onderdrukt. En dat is het. Dat zal ik zeggen. En ik zal ze de gelegenheid geven, om dat als waar te erkennen, en er de consequenties uit te trekken. Het is aan hén of dit zich nog ten goede zal keren. En als ze me vermoorden. Dan komt die moord geheel en al voor hun rekening. Ze zullen zich beladen met een schuld die niet meer in te lossen zal zijn. Wij hoeven ons niet te bezondigen aan wraak. Ze zullen ten onder gaan aan hun geweten. Ze zullen stikken in hun eigen strop. En niemand zal het God kunnen verwijten dat hij de hand heeft gehad in hun ongeluk.”

”Integendeel,” zegt Judas, “dus jij gaat naar ze toe om je domweg af te laten slachten. En jij verlangt van ons dat wij dat lot dan maar met je delen?”

Zegt Jezus: “Ik doe wat ik doen moet. Doe jij wat jij moet doen.”

DERDE ACTE

Tijdens het avondmaal staat Jezus op. Op tafel staat een stenen schaal. Jezus raakt die aan, en die schaal verandert in een brood. Hij giet water in een beker. En in die beker wordt het wijn. Hij eet van het brood. Hij drinkt van de wijn. Zegt: “Jullie zijn mijn leerlingen. Ik heb jullie uitgekozen, en jullie niet mij. Ik zal elk van jullie een stuk van dit brood geven. Eet het. Ik zal elk van jullie deze beker aanreiken. Drink er uit. En zo zullen we ons verenigen. Zo zal God zich vanuit mij uitbreiden tot onze eenheid. En als ik wegval, zal hij in jullie twaalf aanwezig blijven. Dit brood en deze wijn maakt God in jullie tot vlees en bloed.” En Jezus maakt zijn ronde en staat tenslotte tegenover Judas, met in zijn linkerhand wat er rest van het brood. En in zijn rechterhand de laatste slok wijn.

Zegt Judas: “Nee, ik doe het niet. Ik geloof er niet meer in. Ik stap er uit.”

En hij draait zich om en verlaat het vertrek. En de wijn wordt weer water, en in zijn linkerhand heeft Jezus een steen. En Judas begeeft zich naar de autoriteiten, en heeft de verblijfplaats van Jezus aan hen verraden.

Deze preek is onderdeel van de kerkdienst

  • (R18) Kerkdienst met de gemeente van de Lambertuskerk te Vught (2/3)