Zeven werken van Barmhartigheid
  MAANDAG  20 MEI 2013
   Zeven werken van Barmhartigheid   

Terug naar intro© 2008 Standaard Uitgeverij Antwerpen - België

 

Over barmhartigheid
door ds. Judith van der Werf

Het woord barmhartigheid is niet een gangbaar woord. Het klinkt vreemd ouderwets, als uit een andere wereld, maar het heeft voor velen ook iets dierbaars. Het roept het beeld op van geborgenheid, ruimte, en meer dan het gewone. Aan het woord barmhartigheid kleven natuurlijk ook andere beelden, herinneringen, gedachten, vooroordelen. Het doen van barmhartigheid heeft een lange geschiedenis van schoonheid - hoeveel nood is er niet gelenigd uit erbarmen - maar ook van plichtpleging en moraalzucht. Er is veel gezucht onder het juk van goed te moeten doen, zoals er ook veel geleden is onder de noodzaak de hand op te moeten houden. Tijd voor heroriëntatie, een nieuwe invulling van het oude woord? Het lijkt niet vreemd om eens te beginnen met het verkennen van drempels die er liggen, hindernissen die de blik vertroebelen.

Een voorbeeld
Ik loop op straat op weg naar mijn werk. De zon is nog nauwelijks op, het is zo’n dag met veel licht in de lucht. Dat stemt goed. Uit een zijstraatje komt een man aanzetten die zijn hand naar mij uitstrekt. Hij wil dat ik hem wat geef. Hij noemt er een bedrag bij en blijft aandringen. Meer nog dan de woorden is het de hand die zegt: jij hóórt mij iets te geven. Het breekt de onschuld van die net begonnen dag. Om het even of ik iets geef of zeg dat ik niet op dwang inga, ik houd er een vervelend en miezerig gevoel aan over.
Bedelaar, bron: flickr.com/chango
Het kan ook anders. Een vrouw wil haar laatste Straatnieuws van die dag kwijt en spreekt mij al van verre aan met een vrolijke babbel. Ze heeft me tuk, ik schiet in de lach. De krant is gauw verkocht. We hebben er beiden plezier in. Het geeft een gedeeld moment.
Het is maar een simpel voorbeeld. Maar je kunt er uit opmaken dat de beweging van geven en ontvangen een zekere wederkerigheid inhoudt, ruimte die de ander (en dus ook mijzelf) vrijhoudt en niet verplicht. En ook: barmhartigheid verdraagt dwang noch ruis.

God is barmhartig
Barmhartigheid is een bijbels woord, afkomstig uit de sfeer van religie en geloof. Wat daarbij opvalt is dat de bijbel het woord barmhartigheid eigenlijk alleen gebruikt met betrekking tot de Eeuwige. ‘God is barmhartig en genadig, lankmoedig, rijk aan liefde, rijk aan trouw, bewarend liefde tot het duizendste geslacht, houdend de schuldige niet voor onschuldig ‘ (naar Exodus 34: 6,7). …

 

‘Barmhartig’ is het eerste wat van de Eeuwige gezegd wordt na de eigen naam. Dat geeft het belang aan, dit gaat voor! En, er gaat aan barmhartigheid niets vooraf, geen voorwaarde of vraag om bekering. Ook dat is kenmerkend! ‘Barmhartig’ drukt uit dat ZHIJ geraakt kan worden door wat ZHIJ hoort en ziet. In het hart, zouden wij zeggen. Maar in de bijbel is de zetel van het gevoel eerder je baarmoeder, je ingewand. Daar wordt God geraakt en dat leidt tot iets. Want je kunt niet geraakt worden en vervolgens op je stoel blijven zitten. Barmhartigheid gebeurt. Je kunt er niet toe besluiten. Gods barmhartigheid gebeurt, onvoorwaardelijk, zonder wie dan ook buiten te sluiten. Het enige belang dat telt is het lenigen van deze nood. Wat barmhartigheid teweegbrengt heeft alles te maken met recht doen, ombuigen en rechtzetten, met kracht tot herscheppen.
(Lees hier het verhaal over de film 'The story of the weeping camel')

Wat gebeurt er?
Nergens in de bijbel staat de opdracht om barmhartig te zijn. Alleen wordt de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lukas 10: 25 – 37) besloten met ‘ga heen, doe gij evenzo!’ Jezus vertelt hier over een man die tussen Jeruzalem en Jericho wordt overvallen en neergeslagen. Terwijl hij halfdood langs de weg ligt, passeert een priester aan de overkant en laat hem liggen. Daarna passeert een leviet, ook een religieuze figuur, en die steekt evenmin een hand uit. Als derde komt een Samaritaan voorbij, een vreemdeling en anders gelovende. Van hem wordt gezegd dat hij met ontferming bewogen wordt, het slachtoffer verzorgt, hem naar een herberg brengt waar hij instaat voor de kosten.
Wat gebeurt hier? In de commentaren is te lezen dat de priester en leviet het zich - op weg naar hun werk - niet konden veroorloven om zich te verontreinigen aan een gewonde man. Hun bemoeienis hier ter plekke zou anderen kunnen schaden. En de Samaritaan? Ook hij zal redenen hebben kunnen aanvoeren om voorbij te gaan, maar dat doet hij niet. Is er sprake van herkenning, hij is immers zelf een verschoppeling? Hoe het ook zij, wat gebeurt is dat de noodkreet van die gewonde man hem, over zijn eigen kwetsuren en gevoeligheden heen, tot handelen aanzet. Hij is er even helemaal voor hem, hij is even als God. De Samaritaan hoeft niet zo nodig goed te doen, het is geen verhaal over moraal. De schoonheid van het verhaal is misschien wel dat het alle gemoraliseer voorbij is. Het gaat erom dat God gebeurt, dat God aan het licht komt. Je wordt even uitgetild boven je eigen vooroordelen, boven de hindernissen die je doen en laten normaliter bepalen. Je laat licht toe in het duister en ziet wat is. Je bent even zoals het zou kunnen zijn, gunnende liefde. Het doen van barmhartigheid vraagt dus dat je jezelf in een ander licht en met een andere blik durft zien.

Glas in lood raam, olie in de wonden. bron, flickr.com/simon_k

 

Gelijkeniskarakter
Het verhaal van de barmhartige Samaritaan heeft de vorm, het karakter van een gelijkenis. Het is niet neergezet als opdracht of gebod. Het is bedoeld als een doordenkertje. Je wordt even door elkaar geschud en op een ander been gezet.



Dat brengt mij bij Mattheüs 25, waarin de werken der barmhartigheid genoemd zijn. Dat hoofdstuk bestaat uit drie gelijkenissen die met elkaar gemeen hebben dat ze iets vertellen over wat komen gaat en waar het dan op aan komt. Het is het slot van het evangelie, het lijdensverhaal van Jezus is aanstaande. Alles staat op scherp. Alles vraagt om een keuze ‘wie ben jij en waar sta jij in deze?’ Vooraf klinkt de waarschuwing: ‘wees waakzaam’, laat je niet meeslepen in wat gebeurt, de dingen zijn soms niet wat ze zeggen of lijken te zijn. Het aangekondigde einde is het einde niet.
Wat Mattheüs 25 vertelt (en hoe vaak gebeurt dat niet) is dat, op het scherp van de snede, de mensheid zich laat opdelen in twee groepen, zij die het goed doen en zij die het op een of andere manier fout doen. Zit je goed, dan hoor je er bij, dan kom je er wel. Zit je fout, dan kun je het schudden en val je er buiten (Matth. 25: 1 – 13). Of anders gezegd: heb je vermogen, geld, dan zul je meer krijgen; heb je weinig, dan zal je nog minder ten deel vallen (Matth.25: 14 – 30). Zo gaat dat in onze wereld, zegt de evangelist, dit is wat je om je heen ziet, dat ieder voor zich en voor het eigen behoud leeft waardoor er mensen buitenvallen. En ‘men’ zal hiervan zeggen dat dit het oordeel is dat God velt over deze wereld. Alsof de Eeuwige deze tweedeling op het oog heeft. Pas op, zegt Mattheüs dan, laat je daardoor niet op een dwaalspoor brengen. Dit is niet waar het op aan komt. Er laat zich een heel ander verhaal vertellen in wat gebeurt. Door alles heen is ook déze kracht gaande, spontaan en vaak ongezien: handen die strelen en troosten en helen. Handen die niet grijpen, stuk maken of buitensluiten. Handen vol barmhartigheid. In die kracht zie je Jezus. In en door die handen gebeurt God. Dat is wat draagt en echt toekomst heeft. (Zie de tekst van Henk van Randwijk.)

Conclusie
Als ik Mattheüs 25 beluister is dat wat mij treft. Niet die schrijnende beelden van een laatste oordeel waarin schapen en bokken gescheiden worden (ook al is dat een voorstelling die dagelijks voorbij trekt). Niet de vraag of ik wel behouden word, of jij en jij wel goed zitten. (Barmhartigheid is geen voorwaarde voor ons behoud, wij hoeven geen goede werken te doen om erbij te mogen horen.) Wat me treft is dat er desondanks handen zíjn die verzorgen en strelen en troosten. Wat mij raakt is dat barmhartigheid, dat God gebeurt. Ook temidden van angst en onzekerheid. Misschien gaat het uiteindelijk hier om, of je in wat gebeurt een open hart hebt voor dát gebeuren. Of ook jij jezelf in dát licht kunt zien en kunt laten aanspreken.
(Zie de tekst van Elie Wiesel.)


Maandblad Mensen van het IKON pastoraat
(11-2004)