| |
|
Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op (Matteus 25,35) door ds. Bram Grandia
Een tijd geleden sprak ik voor een vrouwenbond in Amsterdam over vluchtelingen. Ik vertelde hoeveel vluchtelingen er in een jaar waren opgenomen. Een vrouw keek me ongelovig aan en zei: "Ik neem u morgen mee naar de Albert Cuyp, dan tellen we er veel meer." Zij had het over buitenlanders. Gastarbeiders, vluchtelingen, migranten, Nederlanders met een donkere huidskleur, voor haar was het één grote hoop anderskleurige mensen.
 Het zijn de ‘buiten’-landers, zij die van buiten ons eigen land komen. Het zijn de vreemdelingen, zij die het vreemde hier binnen brengen. Of iemand dan getrouwd is met een vreemdelinge, of dat een vreemdeling hier als vluchteling binnenkomt of als arbeidsmigrant of op uitnodiging van de regering maakt dan niet veel uit in de ogen van velen. Het gaat om de mensen die er anders uit zien, die zich anders gedragen. Zij zijn de ‘anderen’. Over gasten en vreemde gasten In een verhelderend artikel met als titel “de vreemdeling in de bijbel” (1) maakt Elie Wiesel onderscheid tussen drie soorten vreemdelingen:
1) De eerste vreemdeling is neutraal. Hij staat boven het gewoel, is haast afwezig. “Laat uw wandel op aarde die van de vreemdeling zijn lof de reiziger die de zaken van de wereld niet raken” (christelijk moralist uit de 14e eeuw. )
2) De vreemdeling die prikkelt, stimuleert en wakker schudt.
3) De vijandig, haatdragende, angstaanjagende vreemdeling.
Wiesel laat zien dat die drie soorten in de bijbel terug te vinden zijn. Als het gaat om liefhebben van de vreemdeling gaat het volgens Wiesel vooral om de vreemdeling (de Guër) die onder ons woont, zich aanpast aan de gewoonten van het land en de waarden van het land eerbiedigt. De joodse traditie is eindeloos ontvankelijk voor dit type vreemdeling. In zekere zin ook tegenover die vreemdeling (de Nochri) die afgezonderd wil blijven, die niet vijandig staat tegenover het joodse volk, maar niet een van hen is en er aan hecht dat duidelijk te maken. Het derde type is de vreemdeling (de Zar) hetzij binnen eigen volk, hetzij van buiten die zich opstelt als vijand, die het volk stuk wil maken, die uit is op het toebrengen van schade. Zo’n onderscheid van Wiesel helpt. Ik noem een voorbeeld. Er komen vluchtelingen de grens over die diep geraakt zijn en vervolgd. Ze vragen hier om asiel, om een plek waar ze niet langer geraakt kunnen worden. Er komen ook vluchtelingen de grens over die bij nader onderzoek misdadigers, oorlogsmisdadigers of folteraars in hun eigen land zijn geweest en nu elders een veilig heenkomen zoeken om hun straf te ontlopen. Een humaan asielbeleid betekent niet dat iedereen recht op asiel heeft.
Ontmoeting als brug naar de ander Gaandeweg krijgen vluchtelingen en vreemdelingen in hun nieuwe omgeving een gezicht, krijgen ze de gelegenheid hun verhaal te vertellen. Alleen daardoor al worden ze minder vreemd. In de ontmoeting ontstaat het contact en de ruimte. Op diezelfde avond voor de vrouwenbond klaagde een vrouw dat er zulke vreemde mensen naast haar woonden. Die mensen lieten het onkruid hoog in hun tuin groeien. ”Waar komen ze vandaan”, vroeg ik? “Ik geloof uit Iran”, zei ze. Een andere vrouw vroeg haar: ”Hebben ze in Iran wel achtertuintjes? Heb je het ooit gevraagd?” Nee, dat had ze niet. Zo blijven vreemdelingen vreemd. Van aanspreken was geen sprake. Ze piekerde er niet over. Angst?
|
|
|
Heb de vreemdeling lief/kom de vreemdeling tegemoet Het bijbelse gebod om de vreemdeling lief te hebben, op te vangen en het woord van Jezus over dit derde werk van Barmhartigheid wijzen op een houding van tegemoetkomen. Kom de ander tegemoet, vraag hoe het hem of haar gaat. Daar zit in eerste instantie iets onvoorwaardelijks in. De onvoorwaardelijkheid van de Samaritaan (Luc. 10:25- 37) die afgaat op het (voor hem vreemde slachtoffer langs de weg. Vanuit het zien van hoe deze mens eraan toe is wordt de Samaritaan geraakt en komt in beweging. Het woord barmhartigheid geeft aan dat de mens tot in haar/zijn diepste geraakt wordt. Vervolgens leidt die beweging tot concreet herbergen. De Samaritaan zorgt ervoor dat het slachtoffer een onderkomen vindt en staat garant voor de kosten.
Herbergzaamheid Als een landschap schrik aanjaagt spreken we over een onherbergzaam landschap. We voelen ons er ‘unheimisch’, niet thuis. Het landschap straalt dreiging uit (bijv. een deel van het kustgebied in Noord-Frankrijk waar de zee heel snel kan opkomen en de strandwandelaar kan overvallen). Een herbergzaam landschap is een landschap waar een mens zich veilig kan voelen, waar aanspraak is, waar de mogelijkheid is om te overnachten. Een herbergzame samenleving is een samenleving die iets van gastvrijheid uitstraalt. Dat is de opdracht die in de Mattheüstekst naar voren komt. In de christelijke traditie is gastvrijheid, het bieden van herbergzaamheid een opdracht en een herkenningsteken. “Vergeet de herbergzaamheid niet, want zonder het te weten hebben sommigen van u boden van God geherbergd” (Hebr.13:2)
Over gast- en Godsontmoeting Die ervaring wordt verwoord in het boek Genesis (18) waar Abraham en Sara drie onbekende gasten ontvangen. De Russische ikoonschilder Rublev heeft dit prachtig verbeeld op de ikoon van de Heilige Drievuldigheid. In de gastvrijheid, in de ontmoeting ligt het geheim van de Godsontmoeting en de Christusontmoeting besloten. In de ontmoeting met de ander kan de Ander oplichten. Die ervaring komen we tegen in het verhaal van de Emmaüsgangers (Lukas 24) en in talloze verhalen van mensen onderweg. In die gastvrijheid zit de openheid, de open deur waardoor de ander kan binnentreden. Nauw verwant daarmee is het motief van het aanbieden van gastvrijheid vanuit de (al of niet opgeslagen) ervaring wat het is om zelf vreemdeling te zijn en gastvrij onthaald te zijn. De ontmoetingen in de vreemde die positief waren houden mensen een spiegel voor. Zoals zij toen en toen gastvrij voor jou waren, kun je nu gastvrij zijn voor de vreemdeling die een beroep op je doet. In die wederzijdsheid reiken we elkaar bevrijding aan, zoals Augustinus zegt bij psalm 126: “Als je goede benen hebt, geef je benen aan een lamme die niet kan lopen; als je ogen hebt, geef je ogen aan een blinde die niet kan zien; als je jong en krachtig bent, geef je kracht aan een bejaarde of aan een zieke” En wat we aan elkaar doen, doen we aan Jezus. Met zijn eigen woorden: Want ik had honger en jullie gaven mij te eten, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op, ik was naakt, en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij, ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe.” (Matt. 25, 35 -36) Lees Matteüs voor uit de voorleesbijbel
Te idealistisch Is dat niet te idealistisch? Ik kom net uit een prachtig weekend bij de Norbertijnen op de Essenburgh. Daar ging het over gastvrijheid. In de gemeentegroep (waarvan een deel elkaar niet of nauwelijks kende) ontstond als vanzelf - als een geschenk- de sfeer van wederzijdsheid waarover Augustinus spreekt. Het stond niet los van het weekendthema “gastvrijheid” en van de bijdrage van de Norbertijnen. We ervoeren de woorden van Augustinus in een klooster waar de regel van Augustinus bepalend is voor de spiritualiteit. In een sfeer van gastvrijheid breken muren tussen kerken en tussen mensen. De kloosters met hun eucharistische gastvrijheid als vrijplaatsen in een samenleving waar zelfs tussen de kerken de muren dikker lijken te worden.
 |
|

‘Melinda and Melinda’ De nieuwste film van Woody Allen begint met een scène waarin een vrouw ergens aanbelt in nood en midden in een dineetje terecht komt. Ze is geen onbekende, ze kent de gastvrouw van vroeger. Daarom is ze welkom, ook al verstoort ze niet alleen het eten, maar, zo blijkt, ook het leven van de genodigden. Op lichtvoetige wijze laat Woody Allen zien wat haar komst doet: ze is een vreemde eend in de bijt, maar ze heeft ook aantrekkingskracht op anderen. Ze maakt nieuwsgierig en daagt uit, maar tegelijk roept ze ook afstand en zelfs angst op door haar gedrag en verleden. Vanaf dat moment is het leven van de disgenoten niet meer als voorheen, hun levenswijze komt op zijn kop te staan, ook al vinden en hervinden ze tenslotte zichzelf. Mij troffen die beiden kanten in het filmverhaal: een vreemde is verrijkend, maar ook storend. Zhij verstoort de gewone orde, niets blijft meer bij het oude. Dat kan tot een nieuwe ordening leiden waarbij de vreemde zich een plaats verwerft, aangepast en wel. Maar het kan ook kortsluiting geven, misgaan of verwijdering tot gevolg hebben, en onverschilligheid. Het boeiende van de film van Woody Allen is dat hij naar beide kanten toe laat zien hoe zoiets kan lopen.
Filmtrailer 'Melinda and Melinda'
Hoe het kan gaan Laatst kwam ik iemand tegen die lange tijd in de Bijlmer had gewoond. Ze was er komen wonen met een hoop idealen. Het samenwonen in een nieuwe wijk met andere culturen en leefverbanden trok haar aan en gaf ook iets weer van haar dromen. Ze stapte op haar buren af, maakte contact, nam initiatieven die overbruggend waren. Dat de wijk zich al snel kenmerkte door zijn vele verhuizingen, leegstand en drugsgebruik deerde haar aanvankelijk niet. Achteraf bezien was het eerste omslagpunt dat ze op klaarlichte dag overvallen werd. Ze kwam vrij met achterlating van 25 gulden, meer had ze niet bij zich gehad. Bij een volgende overval liep ze blijvend letsel op. Ze werd bang om de straat op te gaan. Terwijl ze eerder altijd open groette, was ze nu op haar hoede, had het gevoel dat anderen het op haar gemunt hadden. Het kwetste haar dat niemand het voor haar had opgenomen. Men had het kennelijk niet gezien, zo zei ze. Maar ergens voelde het als onverschilligheid. Ze veranderde erdoor, kon het niet meer vinden met zichzelf en met de wijk. Ze betrapte zich erop dat ze in ‘wij en zij’ ging denken. Alleen rond de Bijlmerramp kwam er weer even iets boven van haar oude gevoel van verbondenheid met mensen om haar heen. Ten slotte was ze verhuisd naar het oosten van het land. Zij zou haar huis niet meer zo snel openstellen voor anderen. Voor haar hoefde het niet meer.
Flitsen en beelden Terugdenkend aan haar komen er flitsen uit bijbelverhalen bij mij op: de Farao in Egypte (Exodus 1), die zich verhardt als hij merkt dat de Israëlieten, die hij gastvrijheid bood tijdens een hongersnood, zich vermenig-vuldigen en veel worden in zijn ogen. En David (1Samuël 22), die op de vlucht voor koning Saul bij de vijand belandt, daar rust vindt en zich zo aanpast aan zijn nieuwe omgeving dat men denkt dat hij wel een verrader moet zijn, een paard van Troje. Maar ook de uitspraak laatst van burgemeester Cohen in gesprek met Paul Rosenmöller: “Nu de wollen deken van de multiculturele samenleving is afgetrokken, zie je dat er voor een deel helemaal geen tolerantie was, maar vooral onverschilligheid”. En ook: “de oorspronkelijke bevolking in de oude stadswijken, die daar dagelijks de gevolgen van ondervonden, die hebben we laten zitten”.
Reflectie Elie Wiesel benadrukt in ‘Woorden zonder weder-woord’ dat de vreemdeling een verrijking is, zolang zijn geheim jouw zekerheden aantast, zolang zhij je dwingt jezelf opnieuw te doordenken, zolang zhij een vraag voor je vormt. Want de vreemde vertegenwoordigt wat jij niet bent. Jij hebt hem nodig om jou bij het nog onbekende deel van jezelf te brengen. Want dan ervaar je wat het is om zelf een vreemde te zijn voor een ander. En ervaar je je eigen grenzen en verlangens. Tenminste, als de vreemde authentiek is, als zhij trouw blijft aan zichzelf. Een vreemde vraagt dus iets van mij. Misschien wel dat ik een deel van mijn ziel ongeschonden bewaar, als een plek voor verlangen, een plek waar ik niet van mijzelf ben, waar het leven nog openligt..?
1. E. Wiesel, Woorden zonder weerwoord, Hilversum 1986(3) p.103-117. ISBN 9030402725
uit Maandblad Mensen van het IKON pastoraat (6/7 - 2005) |