| |
|
Gedicht
Naar psalm 1
Was het mij beter gegaan als ik niet had gedacht, niet had verwacht dat u was?- niet bij dag en bij nacht? Had ik u niet moeten missen? beter de boom geweest die staat, niet denkt, wortels drenkt in water, niet in hoop als ik? Wie kan het zeggen, wie kent hier de grond? Niet ik bedenk de boom die om mij ís: uw loof, uw luister. Uw naam: wind tussen de bladeren die ís om mij begonnen.
Lloyd Haft

|
|
|
Filmtrailer: The story of the weeping camel
Verzetsstrijder Henk van Randwijk
"Ik wordt telkens weer gepakt door die centrale boodschap van het christendom, dat Die wij God noemen barmhartigheid is. Vaak op een onnaspeurlijke manier en lijnrecht in strijd met de werkelijkheid die wij zien. Maar het diepste geheim van de kosmos is niet vijandschap, de wreedheid, de ongenaakbaarheid, maar barmhartigheid".
(Uit de preek die ds. Jan Buskes hield bij de uitvaartdienst van Van Randwijk.)
Elie Wiesel
"Ik heb altijd geloofd dat het tegengestelde van liefde niet haat is is, maar onverschilligheid, het tegengestelde van kunst niet lelijkheid, maar onverschilligheid, het tegengestelde van leven niet dood, maar onverschilligheid jegens beide; het tegengestelde van vrede niet oorlog, maar onverschilligheid jegens beide. Het tegengestelde van cultuur, schoonheid, edelmoedigheid is onverschilligheid, dat is de vijand. Alleen als we herinneren is er een kans".
(Uit filmportret van Elie Wiesel, 'In de schaduw van de vlammen', IKON 1986)
|
|

The story of the weeping camel
Laatst zag ik met mijn zoon The story of the weeping camel. Deze film vertelt over het leven van een Mongoolse familie met hun kudde schapen en kamelen in de Gobiwoestijn. Het ritme wordt er bepaald door de gang van de natuur, de droogte, de zandstormen. Een verstild bestaan. Alle aandacht gaat naar wat op dat moment speelt: de bevalling van de laatste drachtige kameel van het seizoen. Ze bevalt van haar eerste jong, de bevalling is zwaar en duurt lang. Na twee dagen en nachten wordt er een wit kameeltje geboren. De vreugde om het nieuwe leven slaat om in waakzaamheid als duidelijk wordt dat de moeder haar kind niet kan aanzien. Ze loopt weg als het wil drinken, ze duwt en bijt haar jong. Het kind kijkt verdwaasd om zich heen en probeert het steeds opnieuw. Tevergeefs. Als het jong steeds klaaglijker roept en liggen blijft, besluiten de mensen in te grijpen. Eerst proberen ze heel voorzichtig moeder en kind bij elkaar te brengen. Als dat niet lukt binden ze de poten van de moeder vast om het kleintje de kans te geven om bij de tepels te komen. Maar niets helpt. Ze houden een ritueel als er monniken langskomen. Samen vragen ze om een zegen voor moeder en kind. Maar het helpt niet. Dan hebben ze nog maar één mogelijkheid: ver weg woont een vioolleraar die misschien helpen kan. Als hij komt, doet hij niet veel meer dan zijn viool leggen om de bult van de moederkameel. De wind blaast over de snaren, de kast resoneert, vervluchtigde klanken klinken. De mensen staan er omheen en wachten en wachten. Opeens voel je, hoor je, dat de ademhaling van de kameel verandert, het bange en bijterige trekt langzaam weg. Alsof er iets in haar geraakt is. Je ziet de omstanders ontspannen, nu kan er werk verricht worden. Een vrouw begint te zingen en als haar lied verklonken is valt de viool in. Dan weer voegen ze zich samen tot een kleurrijke melodie. Plots vullen de ogen van de kameel zich met tranen, de tranen rollen haar over de wangen. De mensen zien het en lachen van geluk. Ze weten nu dat er toekomst is voor het kind, dat de moeder zich zal ontfermen over haar jong. Nu kunnen ze eindelijk feestvieren.
Judith van der Werf
|