Stilte voor de storm
‘Maar wat doe je NU dan?’, vraagt een vriendin tijdens een etentje aan me. ‘Oh jee, daar gaan we weer’, denk ik als ze me deze vraag stelt. Een vraag die ik iets te vaak heb gehoord en waarop ik niet altijd zin heb om antwoord te geven. Gewoon, omdat ik het een domme vraag vind; alsof ik op dit moment niks doe. Integendeel. Maar –ik moet toegeven- ik snap de vraag wel. We zitten nu drie weken voor de eerste opnames van ‘Spraakmakende Zaken’; nog drie weken researchtijd met vier redacteuren voor zes afleveringen. En ik zal eerlijk zijn: we zijn al een tijdje geleden begonnen met dezelfde bezetting voor hetzelfde aantal afleveringen. ‘Wat relaxed’, gilt mijn vriendin als ik haar dit vertel. Ja, zucht ik en beaam dat er ook redacties zijn die elke dag een talkshow produceren. En ja, zeg ik terwijl ik geïrriteerd mijn servetje kapot scheur, drie weken is ook nog best wel lang. En ja-aa-aah, beaam ik verveeld (en nu heb ik echt een slok wijn nodig), vier redacteuren voor zes afleveringen is niet slecht.
Ik hoor mezelf het voor mij inmiddels overbekende rijtje van argumenten van waarom we deze tijd echt nodig hebben weer opdreunen. Natuurlijk begrijp ik deze vraag wel en diep van binnen vind ik het ook gerechtvaardigd. Maar wat denken mensen dan? Dat mijn collega’s en ik in deze aanloopperiode niks doen? Of op z’n minst uiterst relaxed aan ons bureau zitten?
Het klopt dat de ene week drukker is dan de andere. Omdat een hoofdgast helaas net heeft afgezegd en het hele onderwerp daarom vervalt, is het voor mij vandaag een rare dag. Was ik gisteren nog druk in de weer met beeldmateriaal, discussiegasten en overleg met de hoofdgast, moet ik (en de rest van de redactie) op zoek naar een nieuw onderwerp. Dus wat ik nu doe? Veel lezen, nieuwe verzoeken uitzetten en verkennende telefoontjes plegen. Ik verveel me dus niet, maar eerlijk is eerlijk: ik heb morgen geen deadline en zit daarom nog redelijk ontspannen achter mijn computer.
Het jaar dat ik als radioverslaggever werkte, was dat anders. Toen moest ik elke week een nieuw onderwerp verzinnen en voelde ik dus werkelijks de deadline met bijbehorende stress als hete adem in mijn nek. Nu heb ik dan misschien minder vaak een deadline en wellicht daardoor ook minder spanning? Nee, de stress is anders. In de tijd dat ik wekelijks een radio-item moest produceren, was het onderwerp na die week ook weer uit mijn systeem. Nu ben ik veel langer met een onderwerp bezig en is de spanning van het zeurende soort. Elke dag een tergend stemmetje in mijn achterhoofd: Gaat het goed komen? Vind ik nog een goede discussiegast? Maak ik een aansprekend filmpje? En is er een goede chemie op de opnamedag? Als mega-ervaren redacteur –ik overdrijf graag!- weet ik dat het altijd goed komt, maar daar trekt mijn geweten zich niks van aan...
Dus wat ik nu doe? Drie weken voor de eerste opname? Afgezien van bellen, informatie zoeken in kranten en tijdschriften, internet raadplegen, nieuwe gasten zoeken, beeldmateriaal selecteren en vergaderen? Omgaan met dat zeurende stemmetje van onrust dat pas zwijgt als er weer zes spectaculaire afleveringen opgenomen zijn. Mijn vriendin knikt welwillend en net als ik me afvraag of ze het echt begrijpt, piept mijn telefoon. Een sms-je van de hoofdgast. Mijn hoofdgast. De gast waar ik verantwoordelijk voor ben. De gast die de uitzending kan maken of breken. De gast die mij volledig vertrouwt. De gast die.. Aahh! Ik draaf door op dit late uur en besluit deze zeurende spanning te doven met een wijntje. Of twee. En nog een.. Zoals ik al zei, ik overdrijf graag...