 Seth Gaaikema treedt vanaf 1967 op als cabaretier. Aanvankelijk met een ensemble, later met one-man-shows. Hij is doctorandus in de Nederlandse Taal- en Letterkunde. Hij verzorgde onder meer de vertaling van de musicals My Fair Lady, Oliver, Kiss Me Kate, Dreigrösschenoper, Les Misérables, The Phantom of the Opera, Evita, Miss Saigon en Chicago. Hij schreef musicals als Swingpop, Publiek, Kuifje en de zonnetempel, Catharine en Adam en Eva (Duitsland). In 1966 kreeg hij de Culturele Prijs van de provincie Groningen, in 1987 ontving hij de Gouden Harp van de Stichting Conamus, in 2000 de Kubus Musical Oeuvre Award. |
Altijd weer opnieuw beleven
Als antwoord op de vraag: ‘Bent u een levensbeschouwer?’ antwoordt Seth met een glimlach: ‘Nee, zeg, kom nou. Bij levensbeschouwers zie ik altijd heel ernstige mensen voor me, die het raam uitkijken en dan iets diepzinnigs opschrijven. Niet dat ik geen visie op het leven heb. Ik ben een artiest, geen beschouwer. Als je het leven gaat beschouwen haal je het conflict, het tempo en de gein eruit. Ik leef bij de gratie van flarden, fragmenten van het leven. In zinnen of beelden word ik me gewaar van de werkelijkheid waarin wij leven.’
‘Een van de mooiste scènes uit de Bijbel is het verhaal van Jezus die tijdens Palmpasen Jeruzalem binnenkomt. Hij weet dat het binnen een week helemaal mis kan gaan, maar op dat moment kan hij er helemaal van genieten. Zoiets prachtigs. Hij wordt toegejuicht op die ezel, het is feest. Hij laat de tegenstrijdigheid voor wat die is. Een levensbeschouwer zou bedrukt op de ezel zitten. En zou daarbij denken: aan het eind van de week kan het wel weer anders zijn! Dat heb ik tegen levensbeschouwers.
Ze zitten aan de kant en ze kijken alleen maar toe. Ik doe mee. Ik doe mee met het leven, met alle foute en goede dingen die het in zich draagt. Ik haal mijn filosofie uit de flarden. Waar het in het leven om gaat, moet je een man van 64 niet meer vragen. Het gaat om zo ontzettend veel dingen, er zijn zo veel dingen die ertoe doen. Een levensbeschouwer zou het in één mooie zin kunnen formuleren. Dat moet je van mij niet verwachten. Ik vreet het leven op in al zijn facetten en geniet van alles.’
‘Als ik naar het leven van Jezus kijk, dan zie ik diezelfde fragmenten. Zoals het moment waarop hij droevig is - Jezus aan het kruis - nadat hij als allerlaatste zin zegt: “God, waarom hebt u mij verlaten?” Dat betekent dat hij een mens is. Als hij de God-koning was die de kerk ervan gemaakt heeft, dan zou hij gezegd hebben: ‘Vader hier ben ik, neem mij op.’ Maar dat zei hij niet. Hij heeft dezelfde doodsangst meegemaakt die wij allen zullen meemaken vlak voordat wij doodgaan. Hij is gemaakt van hetzelfde protoplasma als wij. Ik houd niet van dogma’s, consequenties van regels en orthodox bedenken, theoretisch uitleggen en het beschouwen van het leven.
In het boek van een levensbeschouwer – hoe geniaal ook - klopt het eerste hoofdstuk: daarna gaat het vanzelf mis. Men vervalt -omdat we mensen zijn - in een soort eenzijdigheid en in onzuivere algemeenheden, die de afwisselende kleuren van het bestaan geen recht doen. Welke grote denkers je ook neemt – het maakt niet uit. Bovendien zijn ze vaak humorloos en saai. En saaiheid is het ergste wat ons kan overkomen in dit leven. Artiesten zijn geen filosofen. We leven van inspiratie. Opeens schrijf je iets. Er is niets en plotseling is er iets: een wonder. Ik leef van flitsen en flarden, niet van theorieën.’
‘Creëren is het allerleukste wat er is. Stel je voor: een zaaltje in Putten. Ik kom daar om zeven uur aan. Er staan tweehonderd stoeltjes. Er is een toneeltje en een klein kleedkamertje, het zaaltje is helemaal leeg. Maar dan stromen de mensen binnen. En om tien uur de zaal vol sfeer, vol geest en vol humor. Vol ontroering ook. Ook dat is creatie. Toen God de hemel en de aarde schiep heeft hij – misschien wel zij - heel veel lol gehad. Zeker toen ze de olifant en de kangoeroe schiep, de duizendpoot en de mens. Het is voor haar/hem een fantastische tijd geweest. Daarna ging ‘het schepsel’ bewegen, toen ging ‘het’ groeien, toen ging ‘het’ verkeerd, en vervolgens viel ‘het’ blijkbaar wat tegen. Als je de Bijbel mag geloven. Als God die wereld zo met plezier geschapen heeft, waarom doen de mensen in onze kerk en dan zo ernstig en loodzwaar over? Ik begrijp dat niet. De zwarte kerken in Amerika zijn heel erg vrolijk met hun gospels. En als je de film Glazige Weiden ziet, dan zie je een enthousiaste, leuke beleving van godsdienst.’
‘Ik leef wel met het Grote Verhaal. Zo is het Marcusevangelie heel belangrijk in mijn leven. Het leven van Christus, maar dan zonder kruis en zonder kribbe. Als je tussen kruis en kribbe doorkijkt en ziet hoe hij heeft geleefd en hoe modern hij was, hoe hij het leven heeft aangevoeld, dan kun je bijna meevoelen hoe zijn leven is geweest – alsof er een televisiecamera bij was. Het verhaal van de rijke jongeling is daar een voorbeeld van. Hij bevond zich tussen de armen en opeens komt er een rijke jongeling binnen. Er komt iemand binnen uit een andere klasse. En dan zegt deze man: Meester, wat moet ik doe om een goed mens te worden? Jezus kijkt hem eerst niet aan en zegt: “Onderhoud de geboden.”
Jezus geneert zich misschien wel door die tegenstelling tussen arm en rijk. Begrijpelijk. Hij kiest partij voor de armen in het vertrek. De jongeling antwoordt dan: “Die geboden onderhoud ik”. Dan kijkt Jezus hem voor de eerste keer aan en dan staat er in de Bijbel “hij kreeg hem lief”, hij kreeg sympathie voor de man. En weer stelt de man de vraag: wat moet ik doen? En dan zegt Jezus: Je moet al je rijkdommen weggeven. En dan gaat de rijke jongeling bedroefd weg. Want dat kan hij niet. En dan komt er een grap van Jezus: eerder gaat er een kameel door het oog van de naald, dan dat een rijke man zijn geld afstaat. Als of er een tv-camera bij staat. Zo vlakbij is het opeens.’
‘Mijn dag begint met Bach. Ik heb alle cantates in twee uitvoeringen. Ik koop ze straks voor de derde keer in de uitvoering van Ton Koopmans. ’s Ochtends tussen half acht en acht sta ik op en dan zet ik meteen een cantate op. Ik doe dat nu al een kleine dertig jaar. Ik begon ze aan te schaffen toen ze nog op elpee stonden. Het is heerlijke, dansende muziek. Ik word er vrolijk van. Je moet niet altijd naar de teksten luisteren. Maar ja, die teksten zijn dan ook van ene meneer Picander. Bach had de teksten nodig om muziek op te schrijven. Natuurlijk zijn we meneer Picander dankbaar voor de teksten, anders had Bach zijn muziek niet gemaakt. Maar het gaat me om de muziek, daar straalt een enorme positiviteit uit. Dansend levensgeloof.’
‘Als ik een avond heb opgetreden, eindigt die avond met bitterballen. Als ik niet optreedt, eindigt mijn dag met Barend en Van Dorp. Een paar van die kerels hebben daar wat gasten aan een gezellige boerengelagtafel in een dorpsherberg. Ze praten wat, ze kakelen wat uit hun nek, het heeft iets gezelligs. Ja, ik mag ze. Wat ik zie is authentiek, niet gelikt. Zij kunnen fel zijn, ze overdrijven wat misschien, maar het is nooit gemeen.’
‘Ik ga nu een musical voor Joop van den Ende vertalen: Crazy for you. Dat is een Gershwin-musical. Ira Gershwin schreef de teksten. Nu is het de uitdaging om die muziek zo van Nederlandse tekst te voorzien dat je denkt: hij heeft de muziek op die Nederlandse teksten gecomponeerd. Ik wil de Picander worden van Gershwin.’
‘Of je nu een leuke avond in elkaar zet of je hebt een gezellige gesprek met iemand: het gaat erom dat er iets ontstaat wat er nog niet eerder was. Ik beleef daaraan de filosofie van het steeds opnieuw geboren worden. Het mooie van het leven is dat je elke dag opnieuw kunt zeggen: ik begin opnieuw. Ik heb ooit gezegd in een rijmpje: “Kerstmis is dan nog het feest, dat ik het best begrijp. Voor Pasen, met dat bloed en zo, ben ik nog niet rijp”. Ik hou van begin, van beginnen, ik vind de ochtend prachtig, de nieuwe dag ... kijken wat er gebeurt. Ik hou niet van afscheid. Dood, kruis, ziektes, alle dingen die bij het eind, bij het afscheid horen, zijn zaken die ik verdring.’
‘Zijn het dingen die bij het leven horen? Zeker. Maar te zijner tijd. Absoluut geen minuut eerder. Het kan je overkomen. Natuurlijk. De dood van mijn moeder was op die manier een grote inbreuk in mijn leven. Ik heb tijd nodig gehad om dat te verwerken. Maar als de dood komt, is dat tijdig genoeg. Ik ga daar niet van tevoren over nadenken. Zonde van de tijd. Negativiteit is zonde van de tijd. Op het moment dat je een hartaanval krijgt zou je kunnen wachten op de volgende. Ik heb er nooit meer over nagedacht. Het heeft geen zin. Het is zonde van de tijd.’
‘Ik ben genezen van een hartaanval en ik kreeg mijn stem terug van Onze-Lieve-Heer. Maar ik heb toch maar mooi drie jaar achter de begonia’s gezeten. En daar werd ik ontzettend moe van. Maar toen ik weer veertig voorstellingen in drie maanden ging doen - vier in de week - was ik weer helemaal uitgerust. Optreden is leven. Als ik te weinig doe dan denk ik dat ik vermoeider ben dan dat ik in mijn eigen ritme zit. Ik vond het heerlijk.’
‘De mogelijkheid om te verdringen is eigenlijk een van de mooiste eigenschappen die een mens gekregen heeft. Tot nu toe heeft het me altijd geholpen. Vooruitlopen op verdriet is verschrikkelijk. En als het verdriet dan komt, in wat voor vorm dan ook - vorig jaar een hele goeie vriend verloren – heb je voldoende energie om vier weken lang elke dag aan het ziekbed te staan. Dat is best zwaar, natuurlijk. Maar dan is het ook de tijd om daar alle aandacht aan te geven. Misschien zelfs te bidden dat het toch nog goed komt. Maar dan is de tijd daar. Nederlanders zijn erg goed in het vooruitlopen op verdriet dat er nog niet is, op negativiteit die er nog niet is. Ik hou daar niet van.’
‘Leven is leven, leven is bewegen. Verder is er niks uit te leggen. Zolang je beweegt, leef je en ben je niet dood. Tussen het moment dat iemand nog leeft en het moment waarop iemand dood is, gaapt een onoverbrugbare kloof. Ik ervaar dat zo, ik kan er niks aan doen, ik ben nu eenmaal niet diepzinniger. Er bestaan ook mensen die de dood als uitgangspunt in het leven gekozen hebben. Iedereen heeft zo zijn eigen waarheid.’
‘“Geef mij een stukje blauw en ik maak er een hemel van.” Dat is de natuur van mijn moeder. Ik vind positiviteit gewoon leuker dan negativiteit. In de Bijbel staat: geef het kwaad geen voet. Je moet het kwaad niet te veel toelaten in de geest. Anders kan het wortel schieten in je bestaan. Als mensen negatief doen? Het gaat het ene oor in en het fluit het andere oor uit.’
‘Ik zit hier te praten als een zoon van twee dominees. En mijn zusje is ook nog dominee. Waar ik vandaan kom, is alles doordrenkt met christendom en Bijbel. In zoverre kom ik ... uit de Bijbel voort. Mijn vader schreef over David, mijn moeder heeft haar preken uitgegeven, ik ben doopsgezind en ga soms naar mijn zus luisteren. Maar mijn vrijzinnige traditie is wel wars van grote gebouwen en serieuze meneren, van gemoraliseer en van woorden zonder ziel die aan een kerk vastzitten. Geloof is voor mij het ‘altijd weer opnieuw beleven’.’
|